Gekozen gedichten

Hieronder vind u de gedichten of dichtregels van Bonhoeffer waarop de muziek geschreven is. De vertalingen zijn van Lieke Frese of Corry Kopmels.

Maar u kunt ze hiernaast ook downloaden. 20190618 Gekozen regels 03

De gedichten:

1. Morgengebed, (uit het gedicht nr 1; Kopmels). O Heer, wat deze dag ook brengt – Uw Naam zij geprezen.
 

2. Avondgebed: (Gedicht nr 2, vanaf regel 10; Kopmels)

Heer mijn God, Laat mij in vrede slapen onder uw bescherming. En bewaar me in het donker voor allerlei verleidingen.
 

3.Gebed in grote nood(Gedicht nr 3: resp. regel 18, 17, 6, 22 en 18; Kopmels).

Doe met mij zoals het U behaagt en zoals goed voor me is. Of ik leef of sterf, ik blijf bij U en U blijft bij mij. Ik vertrouw op Uw genade en geef mij leven geheel in Uw hand. Geef kracht om te kunnen dragen wat U op mij afstuurt. Barmhartige God, vergeef me alles waar ik bij U en bij mensen verkeerd heb gehandeld. Heer, ik wacht op Uw redding en op Uw rijk. Doe met mij zoals het U behaagt en zoals goed voor me is.
 

4. Mensen gaan tot God (Christen en heiden).
Gedicht nr 8 (Christen en heiden) helemaal; Frese).

Mensen gaan tot God in hun nood,
smeken om hulp, vragen geluk en brood,
redding uit ziekte, schuld of dood;
Allen doen zo, christen of heiden.
 
Mensen gaan tot God in Zijn nood,
vinden Hem arm, veracht, zonder huis en brood,
zien Hem ten prooi aan zonde, zwakheid en dood,
Christenen staan naast God in Zijn lijden.
 
God gaat tot alle mensen in hun nood,
verzadigt lichaam en ziel met Zijn brood,
sterft voor christenen en heiden aan ’t kruis de dood,
en vergeeft hen beiden.
 

5. Ontglipt verleden: (Uit gedicht nr 4 de 3e en 5e strofe; Frese).

Leven, wat heb je me aangedaan?
Waarom ben je gekomen? Waarom ging je weer?
Verleden, als je mij ontloopt-
je blijft toch mijn verleden, mijn?
 
Ik zou je geur willen inademen
Opzuigen, erin wonen –
Zoals zware bloesems op een hete zomerdag
bijen uitnodigen die zich bedwelmen,
zoals nachtvlinders dronken worden van de liguster
maar een ruwe windvlaag verstoort geur en bloesems,
zo sta ik verbaasd bij mijn ontglipt verleden.
 

6. De dood van Mozes: (gedicht nr 11, helemaal, Frese).

Op de bergtop, hoog verheven,
staat Mozes aan het einde van zijn leven.
 
Hij houdt de ogen vast gericht
op ’t beloofde land dat voor hem ligt.
 
“Zo vervult Gij, Heer, wat komen zou
nooit werd Gij Uw woord ontrouw.
 
Uw genade redt ons en maakt vrij,
U toorn tuchtigt en verstoot mij.
 
Trouwe Heer, Uw knecht is U niet waardig,
Ik weet het, Gij zijt altijd rechtvaardig.
 
Heden zult Gij Uw straf aan mij voltrekken,
Mij met de slaap des doods bedekken.
 
Alleen wie ongeschonden zijn geloof bewaarde,
proeft de druiven van de beloofde aarde.
 
Geef mij, twijfelaar, maar de bittere drank.
In het geloof zeg ik U lof en dank.
 
Gij hebt wonderen aan mij gedaan,
verbittering in zachtmoedigheid om doen slaan.
 
Laat mij zien door de sluier van de doodswoestijn,
Hoe mijn volk optrekt naar het groots festijn.
 
Ik zink weg in Uw eeuwigheid, God, voorgoed,
God, ik heb voor dit volk geleefd.
 
Dat ik de lasten ervan droeg,
En nu zijn heil aanschouw – dat is genoeg.
 
Houd mij vast! Mij ontvalt mijn staf.
Trouwe God, geef mij een graf.”
 

7. U was net als ik arm en ellendig. (Gedicht nr 1, Strofe 4; Kopmels).

Jezus Christus, mijn Heer, U was arm en ellendig gevangen en verlaten. Ieder menselijk lijden kent U. U blijft bij mij als niemand mij nog helpt, U vergeet me niet en zoekt me. Ik hoor Uw roepstem. Help mij.
 

8. Mens besef. (Gedicht nr 7, Strofe 13; Kopmels).

Mens, besef dat een heilige kracht richtend aan het werk is. Voor de nieuwe generatie zal er trouw zijn en recht.
 

9. Wie ben ik: (uit gedicht nr 6: strofe 5 en 6. Kopmels).

Wie ben ik? Deze of die? Ben ik dan vandaag deze en morgen een ander, ben ik beiden tegelijk? Voor de mensen een veinzer en voor mezelf een zielige, zeurende zwakkeling? Of lijkt wat in mij nog rest een verslagen leger, dat in wanorde wijkt, de strijd al gewonnen? Wie ben ik? Eenzaam getob spot met me. Wie ik ook ben, u kent mij, o God! Van u ben ik.
 

11 Dood, kom snel. (Gedicht nr 9 Stadia, d 4e strofe, Kopmels).

Dood, kom snel, grootste feest op weg naar de eeuwige vrijheid. Dood, doe die zware ketenen af, slecht de muren van ons vergankelijk lichaam en onze verduisterde ziel. Eindelijk zullen we mogen aanschouwen wat ons hier niet gegund wordt te zien. Vrijheid, langdurig zochten we je in tucht, daad en lijden. Stervend herkennen we jou in het aangezicht Gods.

ooo

Advertenties